Wanneer draadloze verbinding is ingeschakeld voor een apparaat, kunt u wisselen tussen vaste en Wi-Fi-verbinding op de aanraakinterface. Als u Wi-Fi wilt gebruiken, moet u eerst de Ethernet-kabel loskoppelen.

U kunt verbinding maken met Wi-Fi als uw netwerk gebruikmaakt van een van de volgende ondersteunde verificatietypen:

  • Openen

  • WPA-PSK (AES)

  • WPA2-PSK (AES)

  • WPA-EAP-PEAP MSCHAPv2

  • WPA-EAP-PEAP GTC

  • WPA-EAP-TLS

  • WPA-EAP-TTLS

  • WPA-EAP-FAST


Netwerkbeheerders moeten dit artikel ook lezen voor aanbevolen procedures bij het configureren van een Wi-Fi-verbinding.

Het draadloze netwerk moet ten minste drie balken weergeven op het scherm voor een verbinding die voldoende stabiel is. U kunt niet deelnemen aan netwerken waarbij u zich moet aanmelden via een startpagina.

Het systeem onthoudt maar één netwerk tegelijkertijd. Als u wisselt tussen netwerken moet u de wachtwoordzin opnieuw invoeren.

1

Tik op de apparaatnaam op het startscherm en tik vervolgens op Instellingen.

2

Blader naar netwerk en service en tik op Netwerkverbinding.

Tik in het volgende scherm op Wi-Fi . Als Wi-Fi is uitgeschakeld, tikt u op de wisselknop om deze in te schakelen.

3

Selecteer het Wi-Fi-netwerk waarmee u verbinding wilt maken. Als het netwerk is verborgen, tikt u op Deelnemen aan ander netwerk of het tandwielpictogram in de rechterbovenhoek. U kunt het Wi-Fi-netwerk vervolgens handmatig instellen.

4

Voer de gebruikersnaam en de wachtwoordzin in als dat nodig is. Tik op Verbinden.

5

Tik wanneer u klaar bent op de linkerpijl om terug te gaan naar het scherm Instellingen en tik vervolgens op de knop Sluiten.

Nadat de verbinding tot stand is gebracht, hebt u toegang tot de Wi-Fi-instellingen en kunt u de netwerkstatus op elk gewenst moment controleren, inclusief tijdens een gesprek. Tik op Instellingen > Netwerkverbinding > Wi-Fi en tik vervolgens op de naam van het verbonden netwerk. Tik in het volgende scherm op Geavanceerde Wi-Fi-gegevens om de netwerkstatus te bekijken.